|
Lied voor Eindhoven
Eindhoven, waarover moet ik zingen
Als dit liedje over jou zou moeten gaan?
Want ik loop al jaren door jouw straten
En ik zie daar niet zoveel bijzonders aan
Het loodje leggen van lieverlede: dikwijls dronken.
Waar Frans Babylon zijn sporen naliet aan de Markt bij
de Poort van Cleef en Sjef van Turnhout het moment
van de poezie opnieuw bepaalde met zijn NU-manifest
in cafe Het Rozenknopje anno 1957.
Eindhoven de burgers hebben het gehad
Het is een bouwput uit een groenstrook.
Eindhovenaren zijn het zat.
Wij horen liever gedichten en verhalen,
In plaats van de herrie van bouwmaterialen.
Hoe hoger de torens hoe groter mijn liefde
Bouw die sky-line maar eens uit
Grinten kleien aan muren hoog
De torens door een naaldenoog:
ziekelijk!
ziek sla ik de stille trom,
op de wijs gewis kom ik weerom,
in de volgende, bebouwde straat.
Een trugblik schoon in t alom
heelvattende Eindhoven.
Fliep ja ja
Het terug blik schoon
De torens
Stoffer en blik ik jaag de stad de bezem in
En walg van de stenen zooi
Gepruts in lagen cement
Oh elend oh verdommenis
Gekwel voor mijn geknakt figuur
Ik ben de burger en de meester
Maar sta verdoold hier aan de kant
Daaaaag., groetjes aan mezelf en vooral niet tot
ziens
.
Er staat een splinter op een plein
en een fontein als ouverture.
Een vrijheidsbeeld wenkt theatraal,
maar alledrie is hope culture!
Wij gaan maar door naar wat wij
Als waar ervaren
Een korte heldenzang
Een steenworp van de dood verwijdert
Reik ik naar de morgenstond
En als vanouds en
Na de nacht
Waarin wij elkaar beroerden
Komt toch het licht weer terug
In het nieuwe ochtendgloren.
Langzaam kiert de dag
Door mijn raam in mijn hart
De nacht is en was mijn compaan
Nachtblind zie ik scherper
En nu ben ik erachter
Het werd alleen maar nachter
hoezo nachter
ik voel mij gelijk een wachter
aan de poort van Eindhoven
Eindhoven saluut.
Riep in zijn dienst een juut
En liep hollend naar de buut
Waar ooit zijn eerste liefde won
Viel toen een bloembak van het balcon.
Ik heb een poesje,
Die heet Loesje
Die is toch zon lief
Want die schrijft naar mij
Een brief.
Met brede armgebaren
wuift Catharina,
bij de start van mijn
Stratumseindroute,
mijn bezwaren weg.
Gelukkig maar
dat het bruggetje
over de Dommel
leuningen heeft
aan beide kanten.
En dan in Eindhoven na
De omzwervingen van veel
Wordt ons jachtig Leentje
Tachtig oftewel tagggetiggg!
Eindhovense verrijkdom
In deze stad geboren
Nabij de Lambertustoren
Doet mij het soms geen deugd
Dat er weinig over is van mijn jeugd
De bestuurders moeten in het heden
Wees heel zuinig met het verleden
Er waren schitterende panden
Waaraan wij ons hart hadden verpanden
Denk goed in de bovenkamer
Laat niet alles sneuvelen onder de slopershamer
Eigenlijk ben ik nergens thuis
maar in Stratum staat mijn huis
waar Dudoks witte gevels blinken
mag mijn lied voor Stratum klinken.
Eindhoven na al die tijd
De vlam van de vrijheid
Achter het fietsenrek
De fontein smoorde de speelsheid
Van de jeugd van de vrijheid van Eindhoven
Eindhoven na al die tijd
Het dynamisch hart
Al jaren kwijt
De heuvelgalerie
Glanzend staal omarmt het glas
Het ochtendlicht breekt
En niemand die er over spreekt
Wie let nog op haar schoonheid
Doorbroken door een enkel geluid
Hier geldt slechts openingstijd
Zij ligt klaar voor gebruik.
Eindhoven fonetisch
.
Eindhoven, verrukkelijk.
Je aanwezigheid alom is nadrukkelijk.
Vooral àlles ist er
Zelfs een goeie burgemister.
Zonder hier of daar te wezen
als je dit gedicht leest
of anderen laat lezen
Zijn we toch weer in Eindhoven geweest.
Aldus opgetekend 24 november 2002 te Eindhoven
Op de Manifestatie EinhovenOntmoetZijnDichters
|